Analyse
GCC viert zilveren jubileum
25 jaar geleden bracht Richard Stallman zijn vrije en opensource C-compiler uit. Sindsdien is GCC uitgegroeid tot een kracht van betekenis in de computerindustrie, waarmee vriend en vijand rekening...
25 jaar geleden bracht Richard Stallman zijn vrije en opensource C-compiler uit. Sindsdien is GCC uitgegroeid tot een kracht van betekenis in de computerindustrie, waarmee vriend en vijand rekening...

Met de Open GPS Tracker-app kunnen bezitters van een Android-telefoon hun route opnemen en op een kaart weergeven. Ondertussen hebben meer...
De eerste klap is een daalder waard, weet ook Hans Clevers. In zijn eerste interview sinds bekend was gemaakt dat hij DWDD-president Robbert Dijkgraaf opvolgt bij de KNAW zei de wereldberoemde...
1 juni 2010
Onder de ogen van het Innovatieplatform boette de Nederlandse kenniseconomie alleen maar aan kracht in. Het adviesorgaan bracht met zijn laatste adem het eigen falen onder de aandacht, maar maakt zich met een controversieel voorstel mogelijk alsnog onsterfelijk.
Innovatie, kennis, onderwijs, het zijn geen thema’s die het afgelopen decennium hoog op de maatschappelijke en politieke agenda hebben gestaan. Zeven jaar Innovatieplatform heeft daar weinig aan veranderd. Als het weer een rapport klaar had, mocht het blij zijn als dat het economiekatern van een regionaal dagblad en een paar websites haalde, terwijl de pennenvruchten van het adviesorgaan inhoudelijk best goed waren.
Nu het slecht gaat met de economie liggen de zaken anders. Opeens zijn innovatie, kennis en onderwijs weer belangrijk. Alarmerend achterblijvende kennisinvesteringen en dalende posities op ranglijsten trekken eindelijk de aandacht, en de laatste publicatie van het Innovatieplatform, dat met de val van het kabinet-Balkenende IV formeel ophoudt te bestaan, werd in landelijke media breed uitgemeten. Er was een crisis voor nodig om Nederland te laten luisteren naar het Innovatieplatform.
Kern van het slotadvies is een selectiever industriebeleid. Minimaal de helft van de rijkssubsidies voor innovatie – nu zo’n twee miljard euro – zou naar de vijf eerder aangewezen sleutelgebieden bloemen en voedsel, chemie, creatieve industrie, hightech en water moeten gaan. De overheid moet bovendien de geldkraan verder opendraaien, vindt het Innovatieplatform, en het vraagt om structureel zes miljard euro extra per jaar voor innovatie en onderwijs. Die investering zou zich gemakkelijk terugverdienen in de vorm van extra economische groei.
Met een grotere zak geld in het vooruitzicht wrijft de Nederlandse hightech, traditioneel een grootafnemer van subsidies, zich likkebaardend in de handen. Helaas, het Innovatieplatform is en blijft een tandeloos adviesorgaan. De hightech moet maar hopen dat de hernieuwde interesse in de economische waarde van technologie de verkiezingen overleeft. En dan nog is het maar de vraag of de nieuwe regering het controversiële advies van het overlegorgaan overneemt.
Reeds bij de oprichting van het Innovatieplatform in 2003 klinken kritische geluiden, die niet meer zouden verstommen. Aanvankelijk ligt vooral het concept onder vuur: innovatie laat zich niet sturen, en al helemaal niet door een overheid. Een jaar later volgen de eerste beschuldigingen van stroperigheid en luchtfietserij. De politiek maakt er geen werk van; premier Balkenende, die het platform voorzit, kan de kritiek probleemloos naast zich neerleggen.
Dan verschijnt in 2008 een boek van Frans Nauta, die geen spaan heel laat van het initiatief. De voormalig platformsecretaris (van 2003 tot 2005) schrijft onder meer dat hij zich vooral bezighield met geschikte kantoorruimte zoeken en het afwimpelen van ondernemers die om geld kwamen bedelen – geld dat er toch niet was. Ondertussen komen de deelnemers niet verder dan gekibbel. ‘De resultaten had je ook met een ambtelijke projectgroep voor elkaar kunnen krijgen’, aldus Nauta.
Naar aanleiding van het boek stellen SP en VVD voor om de hele winkel maar op te doeken. Dat is even schrikken voor Balkenende, die rond het moment van publicatie net het startschot heeft gegeven voor een tiental acties om de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren. Het Innovatieplatform schakelt een tandje bij, of liever gezegd: zijn pr-machine doet dat. Er volgen enkele groots opgezette events in de oude Van Nelle-fabriek in Rotterdam en de Fokker-terminal in Den Haag. Formeel ter ere en glorie van Nederlands vernuft, maar de spin spatte ervan af.
De rekening opmakend, kan het Innovatieplatform niet veel concrete resultaten laten zien. Het kan het opruimen van barričres voor kennismigranten op zijn naam schrijven, net als het regelen van innovatievouchers voor mkb’ers. Geen onbelangrijke zaken, maar dat had EZ ook zelf wel kunnen doen. Verder is er nog een naďef vijfstappenplan om Nederland terug in de top vijf van economisch meest competitieve landen te krijgen.
Gezien de macht en status van de leden had er van de denktank meer verwacht mogen worden, vindt menig kopstuk op innovatieterrein. De eindverantwoordelijkheid voor een degelijk innovatiebeleid ligt echter bij de politiek. Het valt in het bijzonder minister Van der Hoeven (EZ) aan te rekenen dat er nooit een vertaalslag is gemaakt naar beleid. Ze had haar tijd beter kunnen gebruiken dan maar bij elk eventje komen opdraven voor inhoudsloze peptalks.
Het is sowieso vreemd dat politici lid waren van het platform. Hoe kun je je naam verbinden aan iets waar je later een besluit over moet nemen? Op de events speelden politici mooi weer, maar juist onder hun bewind werd kennisbeleid grotendeels genegeerd. De kennisecnomie bewezen zij slechts lippendienst, lid van het Innovatieplatform of niet.
Desalniettemin is er een kans dat het Innovatieplatform zich alsnog onsterfelijk maakt. Door een selectiever industriebeleid voor te stellen, lapt het een groot taboe aan zijn laars. Begin jaren tachtig ging scheepswerf RSV failliet, ondanks forse injecties van de staat. Sindsdien rust op selectieve industriepolitiek een moratorium. De suggestie om dat op te heffen, ‘is even slikken geweest’, erkende Ser-voorzitter en Innovatieplatform-lid Alexander Rinnooy Kan in NRC Handelsblad. Hij herinnert zich een vorig leven als voorzitter van werkgeversorganisatie VNO, waarin hij uitsluitend in generieke termen over industriebeleid mocht praten.
Het voorstel van Rinnooy Kan en collega-platformleden kreeg onmiddellijk bijval. ‘Een blik op de geschiedenis leert dat in tijden van schuivende mondiale machtsverhoudingen politieke instrumenten relatief meer ingezet worden voor economische doeleinden, evenals economische instrumenten voor politieke doeleinden’, schreef Clingendael-onderzoeker Maaike Okano-Heijmans in het Financieele Dagblad. Werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes van VNO-NCW sprak van een ‘enorme stap’ die op zijn steun kan rekenen, ‘ook al zal ons dat als VNO-NCW niet door al onze leden in dank worden afgenomen’. Ook Van der Hoeven was het hartgrondig eens met het document, geproduceerd door het platform waar ze zelf lid van was.
De gedachte achter het Innovatieplatforms schot voor de boeg is dat specialisatie voor een klein land als Nederland onontkoombaar is. Een selectief industriebeleid sluit daar naadloos op aan. Door in te zetten op nationale sterktes krijgen subsidie-euro’s meer kans om te renderen. In een steeds concurrerender internationaal speelveld is dat geen overbodige luxe. Let wel, selectief is niet hetzelfde als exclusief. R&D op gebieden die niet als kerncompetentie gelden, wordt niet aan zijn lot overgelaten.
Toch zal een overheid die zich weinig agnostisch opstelt menig econoom en politicus een doorn in het oog zijn. De notie om de overheid zich juist terug te laten trekken en zaken aan de markt over te laten, kreeg immers tot voor kort bijna kamerbreed de handen op elkaar. De crisis heeft het enthousiasme voor de markt vooral ter linker zijde aangetast, maar de slag is zeker nog niet beslist.
De thans geldende visie is dat de overheid alleen moet ingrijpen bij marktfalen. Welke nieuwe inzichten zijn komen bovendrijven dat deze zienswijze op de schop moet? Het is niet eenvoudig te billijken dat de ambtenarij wel en de markt niet over de juiste informatie beschikt op basis waarvan bepaald kan worden hoe Nederland in de toekomst zijn geld verdient.
Critici zullen er verder op wijzen dat kiezen voor de vijf sleutelgebieden zo selectief nog niet is. Een groot, zo niet overgroot, deel van het Nederlandse kennisintensieve bedrijfsleven valt eronder, zuivere dienstverleners niet meegerekend. Daarnaast is het op zijn zachtst gezegd verdacht dat van elk sleutelgebied wel een prominent figuur uit de betreffende bedrijfstak aan de tafel van het Innovatieplatform zat. Dat ruikt naar goed lobbywerk, wat niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de belangen van de bv Nederland.
Op deze lijn zit CDA-econoom Sylvester Eijffinger. Bij herhaling heeft de Tilburgse hoogleraar hartstochtelijk gepleit voor het tegenovergestelde van een selectief industriebeleid: een generieke heffingskorting voor R&D-investeringen. Dan houdt de overheid er geen voorkeursbeleid op na en profiteert alle R&D-intensieve industrie er gelijk van.
Eijffinger wil deze maatregel betalen uit onder meer het afschaffen van wat hij noemt de ‘subsidiefabrieken’ Syntens en Senternovem, tegenwoordig AgentschapNL. Die delen toch slechts geld uit aan de best lobbyende ondernemers, dus niet noodzakelijkerwijs aan de beste ondernemers, aldus Eijffinger. ‘Het CPB heeft een aantal jaren geleden de effectiviteit van deze subsidies onderzocht en kwam tot de conclusie dat nauwelijks 20 procent hiervan zijn voorspelde rendement heeft opgebracht.’ Snijden in het ambtenarenapparaat? Menig politicus zal de verleiding niet kunnen weerstaan, afgaande op de verkiezingsretoriek die momenteel de ronde doet.
end kabinet zal moeten kiezen tussen een selectief en een generiek industriebeleid nieuwe stijl, hoewel er ook mogelijkheden zijn om die in elkaar te schuiven. De grootste fout die het echter kan maken, is zich uitsluitend te laten leiden door zijn eigen politieke wensen en idealen, die een opvolger weer naar zijn voorkeuren zal willen ombuigen. Bovenal is namelijk een langjarig, intern consistent beleid nodig waarop ondernemers kunnen vertrouwen en bouwen. Beleid dat wordt opgesteld en waar de politiek vervolgens zeker tien jaar van afblijft, of dat zij hooguit af en toe een beetje bijpunt.
Minister Van der Hoeven – zij speelt in dit stuk geen glansrol - liet onlangs zien hoe het niet moet. In een opiniestuk in de Volkskrant nam ze eind maart afstand van haar eigen beleid. Subsidie die het verschil in prijs van duurzame en reguliere energie compenseert via de SDE-regeling zou moeten worden afgeschaft. Dat kon de Nederlandse groene-techsector er nog wel bij hebben. Die had al lijdzaam moeten toezien hoe onze oosterburen een terugleververgoedingssysteem in het leven riepen waar politici niet meer met hun vingers aan konden komen, om zo de omstandigheden te creëren waarin hele industrieën floreren. In Nederland bestaan vergelijkbare regelingen uit een potje waarvoor geldt: op is op.
Om het risico te verminderen dat kabinetten na het komende landsbestuur weer hun eigen politieke agenda willen doen gelden, is het nu zaak dat er een innovatiestrategie komt die breed wordt gedragen onder politieke partijen. Het is essentieel dat R&D zich aan de politieke windrichting kan onttrekken, zeker nu we onzekere tijden tegemoet gaan. Het idee van DSM-CEO en Platform-lid Feike Sijbesma om het Innovatieplatform te reďncarneren in een nieuwe vorm, is daarom zo gek nog niet – ondanks het beroerde track record van de eerste versie. Een Innovatieplatform 2.0 zou op R&D-gebied de lijnen kunnen uitstippelen die de komende kabinetten gaan overleven, ongeacht hun politieke kleur.
© Bits & Chips | Deze pagina op internet: http://www.bits-chips.nl/nieuws/bekijk/artikel/taboe-op-selectief-industriebeleid-wankelt.html