Opleiding(s)weg
25 februari 2010
Het Philips Centre for Technical Training is ter ziele. Daarmee eindigt een eeuwoude traditie van technische bedrijfsopleidingen bij de voormalige elektronicagigant. Zowel de breedte van onderwerpen als het academische niveau van de CTT-portfolio was uniek en liet de beste postdocopleidingen verbleken.
Philips verdient waardering dat het gedurende het laatste decennium dit instituut nog overeind hield. Want in de rest van de wereld is bedrijfsopleiding net zo’n archaďsch begrip geworden als de bedrijfsmedische dienst of huisvestingsfaciliteiten. Zulke secondaire bedrijfsfuncties zijn het slachtoffer van de sanering die de westerse industrieën treft.
Niettemin blijft de basisvraag voor bedrijfsopleidingen gewoon bestaan: het overbruggen van de kenniskloof tussen het niveau dat de interne en externe arbeidsmarkt biedt en de specialistische kennis die nodig is voor geavanceerde producten. Die kloof zal in onze kennisintensieve industrieën alleen maar groeien. Zelfs de financieringsmaatschappijen erkennen dat specialistische kennis hun bedrijfsonderdelen meer waard maakt. Zij roemen ‘de investering in mensen’, ‘our human capital’ en kwijlen bij ‘people are our greatest asset’. Meteen gevolgd door het schrappen van alle vormen van opleiding. Want wie een veer op zijn hoed gestoken krijgt, hoede zich voor het mes tussen zijn ribben.
De continuďteit van het bedrijf vormde jarenlang het meest gehoorde argument voor interne opleidingen. Bedrijfsspecifieke opleidingen leveren echter pas na enkele jaren resultaat op en de waarde is moeilijk in geld uit te drukken. Ook de (on)gewenste verhoogde mobiliteit van kenniswerkers maakt investeringen in opleidingen voor een bedrijf riskant. Hier valt geld te besparen zonder problemen op de korte termijn. De onvermijdelijke intellectuele uitputting vormt een enorm risico voor de toekomst. Een belangrijke bron van proces- en productvernieuwing droogt op. Als oude kennisdragers vertrekken, stagneren de ontwikkel- en productietrajecten. Helaas rollen dan niet de verantwoordelijke koppen, maar wordt de vestiging stilletjes gesloten.
De kenniswerker moet zelf zijn niveau bewaken en zich bijscholen. Soms gestimuleerd door een incidentele opleidingsbonus tijdens hoogconjunctuur, een belastingaftrek of een subsidieregeling. Een dergelijke markt is moeilijk structureel te bedienen. Dat is de doodsteek voor bedrijfsopleidingen, die de kosten van medewerkers, reclamecampagnes, lokalen en lesmateriaal wel continu moeten opbrengen.
Bestaande opleidingsinstituten worstelen met het hoge niveau van een goede bedrijfsopleiding dat de doelgroep beperkt tot een onrendabele omvang. Universiteiten zien ook niet veel in het overnemen van bedrijfsopleidingen. Studenten willen vooral een vak halen, sommige proberen de stof zelfs te snappen. Die houding is van alle tijden en hanteerbaar op een universiteit. De studerende werknemer met zijn praktische ervaring en dagelijkse problemen wil echter vooral over concrete oplossingen praten. Daar zijn de meeste universitaire docenten niet op voorbereid.
Bovendien is er een investeringsprobleem. Binnen een bedrijf kon een cursus groeien: een paar voordrachten aan elkaar plakken met wat theorie en een coulante houding bij de collega’s/studenten. Zo groeide een concept over de jaren tot een hoog didactisch en inhoudelijk niveau. Een externe professionele cursus moet echter direct waar voor zijn geld bieden. Het opzetten van zo’n cursus kost misschien wel vijf tot tien keer de tijd van een cursusaflevering. Hoe verreken je dat bij een onzekere bezetting? Bedrijfsopleiders missen daarvoor een bruikbaar financieel model. De markt is te kortzichtig voor dergelijke investeringen. Zijn bedrijfsopleidingen definitief weg of wordt dit een aantrekkelijk speelveld voor een van onze kennisinstituten?
Marcel Pelgrom
Terug naar overzicht