Analyse
GCC viert zilveren jubileum
25 jaar geleden bracht Richard Stallman zijn vrije en opensource C-compiler uit. Sindsdien is GCC uitgegroeid tot een kracht van betekenis in de computerindustrie, waarmee vriend en vijand rekening...
25 jaar geleden bracht Richard Stallman zijn vrije en opensource C-compiler uit. Sindsdien is GCC uitgegroeid tot een kracht van betekenis in de computerindustrie, waarmee vriend en vijand rekening...

Met de Open GPS Tracker-app kunnen bezitters van een Android-telefoon hun route opnemen en op een kaart weergeven. Ondertussen hebben meer...
De eerste klap is een daalder waard, weet ook Hans Clevers. In zijn eerste interview sinds bekend was gemaakt dat hij DWDD-president Robbert Dijkgraaf opvolgt bij de KNAW zei de wereldberoemde...
10 januari 2011
Tien jaar geleden klonken dezelfde zorgelijke geluiden over de Nederlandse kenniseconomie, maar opnieuw zitten extra investeringen er niet in – althans niet uit de publieke hoek. Dat staat op gespannen voet met Europese ambities.
‘Voor het Nederlandse bedrijfsleven lijken dan ook twee opties voor de toekomst open te liggen. Om aansluiting met de technologisch leidende landen te verkrijgen, zal in de komende tien jaar nog stevig extra in R&D geïnvesteerd dienen te worden. Indien deze extra investeringen niet gerealiseerd worden, ligt een strategie als technologievolger meer voor de hand.’ Het hadden de woorden van Ser-voorzitter en ’s lands bekendste innovatiepleitbezorger Alexander Rinnooy Kan kunnen zijn toen hij onlangs bij Buitenhof aanschoof, maar het betreft de afsluiting van de CBS-publicatie ‘De kenniseconomie in ontwikkeling’, uitgebracht in 1999.
Eens kijken, hoe zaten ‘we’ er toen bij in Nederland? De uitgaven van Nederlandse bedrijven en kennisinstituten aan R&D vormden in 1997, het jaar waarover de publicatie handelt, 2,12 procent van het bruto binnenlands product (bbp), waarvan het bedrijfsleven 1,16 procent voor zijn rekening nam en universiteiten en onderzoeksinstituten 0,96 procent. Nederland presteerde met deze cijfers beter dan het Europese gemiddelde (1,83 procent), maar slechter dan het gemiddelde van rijke geïndustrialiseerde landen (Oeso-landen, 2,21 procent).
We spoelen door naar 2007. Volgens de Wetenschaps- en Technologie-indicatoren 2010, opgesteld in opdracht van het ministerie van OCW, spendeerde Nederland toen nog maar 1,7 procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling, verdeeld in 1,03 procent voor het bedrijfsleven en 0,7 procent voor de publieke kennisinstituten. Het EU15-gemiddelde (een eerlijke vergelijking met het EU-gemiddelde van 1997) bedroeg 1,90 procent van het bbp, het Oeso-gemiddelde 2,28 procent.
De conclusie is duidelijk: van extra investeringen in R&D is het in Nederland nooit gekomen, laat staan van stevige. Integendeel: terwijl de landen waaraan we ons graag spiegelen gemiddeld meer gingen uittrekken voor innovatie, begon Nederland te beknibbelen, gaf het een bovengemiddelde EU-klassering uit handen en vergrootte het zijn achterstand op de internationale concurrentie.
Moet Nederland dus maar het advies uit 1999 volgen en zich neerleggen bij een volgersrol? De politiek vindt van niet. Vlak na Prinsjesdag 2009 omarmde de Tweede Kamer de ambitie om Nederland tot de vijf beste kenniseconomieën te laten horen. Ook de kennissector lijkt zich niet gewonnen te geven. Voortdurend waarschuwen prominenten van organisaties als Innovatieplatform-opvolger KIA, de KNAW of de Ser ervoor dat Nederland de aansluiting met de top lijkt te verliezen. Zij vragen zelfs in tijden van forse bezuinigingen om miljarden meer.
Op zichzelf vormen teruglopende investeringen in onderzoek en ontwikkeling echter geen doorslaggevend argument. Zo bestaan er geen statistieken over doelmatigheid. Een land kan sterker op R&D-gebied presteren dan het investeringsniveau alleen suggereert. Afgaande op citatie-indices en universitaire ranglijsten doet in ieder geval het Nederlandse fundamentele onderzoek het bijvoorbeeld beslist niet slecht.
Een tweede reden om ons niet blind te staren op financiële input is de maatstaf zelf. Want wat drukken R&D-investeringen als percentage van het bbp nu eigenlijk uit? Economische activiteiten zijn niet gelijkmatig over landen verdeeld, dus het percentage kan net zo goed een indicator zijn voor het relatieve aandeel van (weinig of geen R&D vereisende) diensten in een economie. Nederland is hier bij uitstek een voorbeeld van: ons kleine landje presteert al decennia economisch sterk zonder internationaal voorop te lopen in onderzoeksfinanciering. Bij nadere bestudering blijkt 1997 namelijk een uitschieter: door de bank genomen loopt Nederland vanaf 1980 op R&D-gebied achter bij zowel de EU als de Oeso. Als zestiende economie van de wereld is het in het verleden geen noodzaak gebleken om bij de top vijf van kenniseconomieën te horen.
Niet alleen geeft Nederland van alle geïndustrialiseerde landen procentueel zo’n beetje het minst uit aan R&D, maar ook groeien die uitgaven amper. Bron: Wetenschaps- en Technologie-indicatoren 2010
Voorstanders van kennisinvesteringen kunnen echter wijzen op het belang van de export voor de Nederlandse economie. Technologie is onontbeerlijk voor de (productie van) hoogwaardige producten die onze landgrenzen passeren. De Brainport-regio is bijvoorbeeld goed voor 25 procent van de export. Daarin investeren zou niet alleen een gezonde structurele groei moeten bewerkstelligen, het is ook een kans het Nederlandse economische landschap te diversificeren.
Daarnaast steken de eerste tekenen van slijtage reeds de kop op: het Rathenau-instituut constateerde eerder dit jaar dat de kwaliteit van Nederlands wetenschappelijk onderzoek tanende is, bètaonderzoekers hekelden vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer de kaalslag op hun faculteiten en de positie van Nederland op de Global Competitive Index van het World Economic Forum staat onder druk. En natuurlijk kun je je afvragen hoe lang Nederlands onderzoek in de bovenste regionen resideert wanneer het verschil in financiering met andere landen maar blijft oplopen.
Het kabinet-Rutte-Verhagen staat halfslachtig in deze discussie. Ja, onze economie moet zich meer inlaten met hoogwaardige technologie, maar nee, daar heeft de overheid geen rol in te spelen. ‘Het probleem zit juist niet in de publieke investeringen, maar bij de private investeringen’, zegt minister Verhagen in Forum, het opinieblad van VNO-NCW. Tijdens een werkbezoek aan Den Bosch, onder meer aan Sitel, zei premier Rutte bovendien dat Nederland toch al bij de Europese top hoort wat betreft investeringen in kennis en onderzoek.
Het kabinet zet dan ook een streep door 550 miljoen euro innovatiesubsidie. Door het Fonds Economische Structuurversterking op te heffen, vervalt bovendien een belangrijk financieringsinstrument voor onderzoek. De leegte zou gedeeltelijk moeten worden opgevuld met een zogenaamd revolverend leningfonds, maar het is onduidelijk waar de eerste vulling vandaan moet komen.
Onderzoeksinstituten en innovatieprogramma’s – waaronder het Esi (embedded software), het Holst Centre (autonome systemen en folie-elektronica), HTas (automotive), M2I (materialen), Point-One (nano-elektronica, embedded systemen en mechatronica) – krijgen maximaal een paar jaar respijt, maar er is sprake van dat bestaande budgetten gekort gaan worden. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat er de tijd wordt genomen om een kosten-baten- of wijzemannenanalyse te doen. Begin volgend jaar presenteert minister Verhagen zijn industrienota, waarin het beleid vorm moet krijgen.
Of overheden zich beter niet met markten en innovatie kunnen bemoeien, is eerder een politiek-ideologische kwestie dan een economische. In ieder geval kunnen economen het er niet eens over worden. De Europese Unie biedt echter een goed referentiekader. EU-experts achtten 1 procent van het bbp aan publieke en 2 procent van het bbp aan private investeringen noodzakelijk om een kenniseconomie op te zetten die is voorbereid op de toekomst. Dat werd als zodanig vastgelegd in de Lissabon-afspraken. Die flopten weliswaar, maar dezelfde percentages zullen prijken in het nog te presenteren vervolgbeleid Innovation Union. Het moet wel raar lopen, wil Nederland zich daaraan niet verbinden.
De omarming van de nieuwe Europese ambities, zo deze na Lissabon nog iets betekenen, valt dan ook niet te rijmen met een verlaging van de Nederlandse overheidsinvesteringen in R&D. Die zijn met 0,7 procent van het bbp toch al laag in Europese context en bovendien de afgelopen tien jaar sneller gezakt dan private. Rutte en Verhagen constateren terecht dat de verhouding tussen publieke en private investeringen scheef ligt, maar vermindering van de publieke alleen helpt Nederland geen stap verder.
Eigenlijk moet er helemaal niet bezuinigd worden op innovatie, maar als het dan toch moet, zorg dan voor een goede balans tussen specifiek en generiek beleid. Waar de ideale verhouding ligt, is moeilijk te zeggen, maar sterktes per regio bemesten (clustering) en nog meer private investeringen uitlokken met subsidie, zouden een goed begin zijn.
© Bits & Chips | Deze pagina op internet: http://www.bits-chips.nl/nieuws/bekijk/artikel/aanhaken-of-achterblijven.html